image002        

Denkend aan het Zorghuis…

 

door Julien Van Remoortere

 

Op een ochtend in het begin van de lente - die maar geen lente wilde worden - een telefoontje van het Zorghuis. Dringend nog wel. Een vrijwilliger was met griep wakker geworden en of ik, of mijn vrouw, of allebei als we dat verkozen, eens konden inspringen, als ik me goed herinner : van 7.30 u tot 13.00 u. Dat kon, en wij dus naar de Pater Pirelaan in een heel rustige hoek van Oostende, waar je bijna de indruk kunt opdoen dat de Stad aan Zee volledig uit villa’s-met-een-tuin bestaat.

Op nummer 6 via een zijtuintje naar de voordeur, aanbellen, gestommel op de trap en daar worden we begroet door een vrouw die de nacht heeft ‘gedaan’ en zich nu moet reppen naar haar werk. In een ongelofelijk tempo maakt ze ons wegwijs in het gebouw, behalve in één van de slaapkamers, waar de gast nog in de armen van Morpheus ligt. We beginnen al meteen spontaan te fluisteren. Maar oké, we snappen het, de nachtvrouw slurpt nog haar koffie op terwijl ze zich in haar jas wurmt, dag mensen, en het beste, en tot ziens. Ze wervelt de trap af en even later flitst haar autootje in een wolk van blauwe rook door de nog altijd volkomen rustige straat.

Dus wij aan het werk. O ja, ontbijt klaarmaken voor onze gast, en ook al eens overleggen wat we met het middagmaal zullen doen. De nachtvrouw heeft al gezorgd voor een grote kan koffie. We trachten onze weg te vinden in de koelkast en de diepvries en in de kasten met allerhande keukengerief. Ontbijt is een fluitje van een cent. Er is nog brood, en een bakje smeersel, plus beleg en jam. Of zou onze gast een eitje lusten? We zullen het hem vragen als hij opstaat. We horen een deur piepen op de overloop. Haha, we hebben ons wel vergist: onze gast is een vrouw. Met een volstrekt kaal hoofd: geen wenkbrauwen, geen wimpers, geen spiertje haar. Wat chemo zichtbaar met mensen kan doen...

We maken kennis en wisselen namen uit. Ha, jullie zijn dus met zijn tweeën? Ja, Els, als de een zijn of haar babbelwater op is, dan springt de andere wel bij. En nee, geen eitje, wat aardbeienjam volstaat, en ik probeer twee kleine boterhammetjes, meer krijg ik onmogelijk binnen. Ze gaat voorzichtig aan tafel zitten. Gaat het, Els? Ja hoor. Ze slurpt van haar koffie.

Ja, ik heb dus kanker. Ze steekt haar rechterwijsvinger op. Kijk, hier is het begonnen, in het bovenste lidje van die vinger. Een knobbeltje. Dat zou wel vanzelf verdwijnen, maar wanneer je uiteindelijk naar de dokter moet, is het al telaat en is dat smerige ding uitgezaaid in alle hoeken en kanten van je lijf.

O, maar vandaag de dag kunnen ze toch al veel, Els. Hebben we niet gehoord dat de chemo buitengewoon goed gepakt heeft?

Ja, dat wel, geeft ze toe. Maar in haar grijze ogen lezen we iets van machteloze onzekerheid.

Mijn vrouw brengt het gesprek handig over naar een ander onderwerp. Heb je kinderen, Els? O ja, wel vijf? Allemaal volwassen en getrouwd of samenwonend, jaja. En kleinkinderen? Dan krijgen haar ogen meer glans. De grotebabbel is begonnen en zou in feite nooit stilvallen. En we hebben in de diepvries nog kleine tongetjes ontdekt, Els, als we die vanmiddag eens in de pan sloegen, en dan met frietjes en twee bladen sla en een schep mayonaise...Zwijg, zwijg, het water loopt me al in de mond. Maar ons Heidi’tje, da’s nogal een kapoen. Die is meer jongen dan meisje. Maar zo ben ik ook geweest, lang geleden, toen ik nog klein was. Het ‘kleine’ verleden, de tijd van opgroei en ongeschonden jeugd - dàt is een onuitputtelijk verhaal, waaraan veel zieken zich een poos kunnen vasthaken, om dan toch, te midden van hun miserie, zich te warmen aan een heerlijke tijd, waarin ze zichzelf zien herleven in hun kroost, in de kinderen die na hen gekomen zijn, en wie zegt dat zo’n beleving niet straffer is dan chemo en die hele doos van allerhande pillekens?

   

WWW.ZORGHUISOOSTENDE.BE